stadsgedicht 3714

het is gedaan, Daan (niet de schlager)

‘het is gedaan’ dat is de laatste regel voor mij,
voor jou, lezer, de eerste;

ik heb het gedaan, en wie is hier de ik van dienst?
luister, het is de Mottenfokker,

hij schreef tien jaar lang, elke dag een gedicht,
elke dag op zoek naar het ik-weet-niet-wat,

naar wat-zich-aandient, wat dan begint rond
rond de voeten, de beweging, de eerste berm,

de volgende stap en dan eindigt aan het eind
van de dag bij de voet van zijn toren,

driehoog-achter in de Johannes Vermeerstraat
in zijn droomstad Amsterdam

met uitzicht op de drie populieren en de luchten
waarmee hij de dagen naar boven afrondt

maar het getal is twee van de voeten twee,
het refrein dat zichzelf herhaalt

Door |31 december 2016|

stadsgedicht 3713

mijn stad is een natuurreservaat

elk dag komen er beestjes natuur-
en cultuurasiel aanvragen, ook ik ben in

die vluchtelingenstroom deze stad binnengekomen;
ik ontvluchtte de verre uitlopers van

de Thomas Bernhard-cultuur, Wenen op z’n smalst,
dat met het water afzakt, afstomping

die zelf een natuurfenomeen is,
het militante simplisme van de plattelanders,

het antisemitisme van bijv. buurjongen B.,
de wroeging van zijn moeder, de talloze huizen

die er in de hens gaan, hier en daar een handgemeen,
erfschermutselingen, gegluur en geloer vanachter

gordijnen; achter de ellebogen, achterbaks, onderhuids,
en maar verbouwen, en maar meelopen en meepraten;

voor mij waren de dingen er zelf mee besmet,
erdoor afgestompt; je kon het ruiken;

ik moest op zoek naar de andere natuur;
met de ‘Grote’ natuur van de oude Romantiek

had ik het helemaal gehad, ik zocht
de kleine natuur van de lijfelijke proporties

ziek van zichzelf, van

Door |30 december 2016|

stadsgedicht 3712

anti-Proustzeep

je bent anders zo verschrikkelijk zuinig met de kruimel,
de geurmolecuul,

of delicaat met een geluid, het tikken van bestek op een porseleinen bord,
of een beweging,

het (bijna) struikelen over een tegel,
Proust pakt één draad en trekt er heel voorzichtig aan;

hij mag (zeker) niet afbreken,
het verhaal moet in zijn geheel worden verteld;

Proust, de visser, Proust, de jager;
maar er is ook een tijd (on)verborgen in de dingen (zelf):

waartoe je wel eerst een tijdvreter nodig hebt,
een (metafysisch) soort zeep dat verbanden uitwist,

je uit het verhaal tilt en dan ook nog laat zweven;
ik ga mij wassen met deze zeep voordat ik gewassen word

Door |29 december 2016|

stadsgedicht 3711

Het verschijn-, verdwijnlijf (2)

het gezonde lijf is altijd al het verdwenen lijf
dat heel graag plaats maakt voor wat anders:

de herinnerde scène, de opgesmukte waarneming,
jouw lichaam…

zo wil ik mijn lijf: vanzelfsprekend, doorzichtig,
onder- en achtergrond, transparant

met aan elk uiteinde wereld, rond elke vezel
mogelijkheid, toekomst, horizon, verte,

en als ik dan terugkeer naar mijn lijf dan
in de luxe en de warmte van jouw streling

of de weldaad van een prettige gewaarworden
in de zekerheid dat ik het verwende lijf

weer kan laten verdwijnen wanneer ik dat wil

Door |28 december 2016|

stadsgedicht 3710

het verschijn-, verdwijnlijf (1)

dofheid; het lichaam tussen mij
dat de spiegels in het vertrek laat beslaan;

dofheid; de demping van de ‘roep’ van het lichaam,
het andere geweten dat ver onder de gehoorgrens opereert;

dofheid; de gehoorgrens van het lijf waarin de opium
je misschien wel inwijdt

of heeft de zieke denker mij het uitgelegd?
of de dichter die al hoort tot het nieuwe slag

van de Pale Poets; ziekte is een voorpost
van een beter begrip van leven

Door |27 december 2016|

stadsgedicht 3709

scat

L. wilde altijd weten wat ik nou aan het zeggen was,
de uren op de dansvloer ‘pratend in mijzelf’;

mij verbaasde het hoe ze bij die gedachte kwam;
het dansende lijf is een toegevoegd instrument bij

de muziek die deze ondertiteld;
ik speelde de luchtdrum, de praatconga;

ik heb mijn taal terugbracht tot kale frasering,
tot het geheel van ritmische uitvoeging, verbuiging

dat gaat tot in de ziel van de ledematen;
het lipmusciceren duikt ook op bij de hardop dromende

morfinist die nog een besef wil hebben
waar de seksualiteit is heengegaan;

of als je het pijnbesef contouren wilt laten tekenen
van bewegingsbeperking…

Door |26 december 2016|

stadsgedicht 3708

de sprookjesstad A.

stel je de stad voor als een groot paleis,
de straat een openluchttroonzaal;

de vaders schrijden er als pasja’s, sjeiks
met hun zonen aan hun zijde,

dat is wat de vaders zouden willen,
de zoon heeft net zijn kalashnikof opgeborgen,

is met een paleisrevolutie bezig;
ze vechten het op gelijk niveau uit

maar in een ander sprookje;
ze komen langs de vrouwenvertrekken

en die blijken niet langer afgesloten;
ook hier kunnen ze het niet over eens worden,

net zomin over onze rol, de massa’s die van
de paleisfaciliteiten gebruikmaken zonder goed

door te hebben dat ze zich ook overeenkomstig
dienen te gedragen

Door |25 december 2016|

stadsgedicht 3707

kleine Kerstanekdote van de restpijn

hoe de vaas vol leliën omviel in de nacht
is gemakkelijk te reconstrueren;

het boeket stond er topzwaar,
had het bloemwater weggezogen;

mijn baan naar het raam, ik kom daar aan,
maak een draaiing waarbij de badjas aan

een bloemkelk blijft hangen;
ik schrap hier vijf keer het woord ‘klein’;

in mijn wereld is alles klein;
de (kleine) vaas valt (klein) om,

- een relatief kleine verstoring
die we snel weer ongedaan zullen maken;

ik zit op de rand van de sofa en geef instructies
aan de buurvrouw die de boel opruimt;

we praten over pijn, soorten pijn, soorten troost,
en vooral over het verkleinen van de pijn;

ik zoek naar de nieuwe ‘spiegel’;
niet-bewegen is nu al een luxe;

ze doet het graag voor me, zegt ze;
ik laat me graag helpen;

de vaas wordt bijgevuld,
het stuifmeel van de vloer geveegd

Door |24 december 2016|

stadsgedicht 3706

de moralist

Van de moralist zijn er meteen al twee,
de goede en de slechte;

nooit is er de zekerheid van één mogelijkheid,
het kleinste getal is dan ook de twee;

zit ik goed of zit ik fout?
ze gaan meteen bij zichzelf te rade;

laat ze praten, ze dragen het materiaal voor
de deconstructie of deconfiture zelf al aan;

zelfs dan hoef je nog niets te doen;
leg de stroken naast elkaar,

wijzen is dan al (vaak) voldoende;
ik heb een zwak voor moralisten,

we twijfelen samen wat af, gaan heen en weer;
de diepe ernst ontroert me,

het gebrek aan cynisme imponeert,
maar in de buurt van de moralist hangt

a moral pimp of loverboy rond,
die haar in haar macht heeft; ze krijgen visite

als jij er niet bent, ze worden onder druk gezet;
de schuld gaat bij hen aan het geweten vooraf

Door |23 december 2016|

stadsgedicht 3705

de moeder van mijn dood

wij hebben geen kind samen
maar zijn in verwachting

van een mooie dood
van mijn zijde;

‘kindloos en kinderrijk liepen eens samen…’,
zo beginnen vele van onze grappen;

zij gaf al zo vaak het leven,
ik creëerde er geen,

maar nu hebben we ons toch samen ontfermd
over mijn aangekondigde dood

en niet alleen daarom ben jij de vrouw
van mijn leven, de moeder van mijn dood

Door |22 december 2016|